

Toch nog een Elfstedenoverwinning

Een schaatsenrijder is pas een schaatsenrijder, als hij een Elfstedentocht gereden heeft.
Tussen 1963 en1985 is er geen Elfstedentocht geweest. Ik ben van een lichting, die
zijn beste sportjaren in die periode beleefde. Tot 1980 heb ik samen met Ria Visser
keihard getraind. Het resultaat was ernaar: Ria won zilver in Lake Placid en ik behoorde
bij de beste marathonschaatsers, met de Nederlandse titel in 1979 als één van de
hoogtepunten.Als compensatie voor het uitblijven van echte winters reden wij 200
kilometer-
Ron Mulder van Referee Sportsmarketing vroeg, of ik als ploegleider bij zijn bureau verder wilde gaan.
En zo werd ik ploegleider van de marathonploeg van Oad.In 1987 hadden we weer een
strenge winter en gonsde het weer van de geruchten over een op handen zijnde Elfstedentocht.
Met Harry Lievendag, de manager van de Oad-
Die adressen en telefoonnummers moesten dan vervolgens naar Referee Sportsmarketing doorgespeeld worden, die dan de onderhandelingen zou starten.
Na drie dagen moest de winnaar weer boven water komen, om vervolgens het grote geld binnen te gaan halen. Al met al hadden we veel werk gedaan en veel spullen besteld, maar de tocht van 1987 ging niet door!Ik heb nog honderd bidons thuis staan uit die periode.Inmiddels verstreek weer de ene ijsloze winter na de andere. Er kwam een nieuwe lichting marathonschaatsers, met nieuwe favorieten, die ook weer droomden van de Tocht der Tochten.De winter van 1996 werd een goeie winter. Er werden door het hele land tochten gereden en het nerveuze gevoel, dat er weer een Elfstedentocht op handen was, voelde je overal.De dames van Referee Sportsmarketing belden mij. “Rien, heb jij nog draaiboeken van vorige elfstedentochten liggen?”. Ik gaf hen het draaiboek uit 1987, waarin geadviseerd werd, zoveel mogelijk marathonschaatsers een intentieverklaring te laten tekenen en dat Ron Mulder op de Bonkevaart aan de finish moest staan om de winnaar op te vangen en te begeleiden naar rijkdom en roem!
Zondagmiddag. Stralend, vriezend weer.
Enkhuizen/Stavoren werd die middag sinds lange tijd over het IJsselmeer gereden. Er gebeurde die middag, door het slechte ijs en de ongetraindheid van het grote publiek, nogal wat ongelukken.Iedereen was ervan overtuigd, dat die week de Elfstedentocht zou plaatsvinden.Ik had die week als training nog wat tochtjes gereden, maar had het eigenlijk veel te druk met schaatsenverkoop en slijpwerk. Ook zat ik met een dilemma……..
Omdat ik in 1985 en 1986 aan de wedstrijd had meegedaan, had ik het recht bij een
nieuwe Elfstedentocht weer aan de wedstrijd deel te nemen. Maar…ik was inmiddels
ook weer tien jaar ouder. Ik was kansloos in de wedstrijd en moest mijn gezonde verstand
laten werken en gewoon de toertocht meerijden.ZONDAGAVOND MAAKTE HET JOURNAAL BEKEND
DAT ER DIE WEEK GEEN ELFSTEDENTOCHT GEREDEN ZOU WORDEN! Ik ging naar bed, maar kon
de slaap niet vatten. De hele week was ik met die Elfstedentocht bezig geweest, om
iedereen te adviseren en nu ging dit evenement, waar iedereen van droomde, niet door!Eindelijk
viel ik in een onrustige slaap en droomde, dat de Elfstedentocht wel doorging en
ik toch meeschaatste maar.... in de WEDSTRIJD!Weer stond ik een uur lang in die
kooi, stalbenen te krijgen. Er werd weinig gesproken. De meeste schaatsers staarden
wat voor zich uit, of aten gedachteloos nog wat brood of een mueslireep. Weer die
bekende koppen om me heen: Niesten, Giling, Kooiman, Jonker en natuurlijk weer Jan
van Capelle.Het aftellen was begonnen. Ik voelde me onzeker. Waar was ik, als ouwe
man mee bezig? De wedstrijd meerijden, tussen al die jongere rijders kon toch niet!
De kooi werd open getrokken en het was een gedrang van jewelste om zo snel mogelijk
naar buiten te komen…... 1700m hardlopen naar de start was nooit mijn grote hobby
geweest, maar ik liep nu voor mijn gevoel niet echt slecht. Door een haag van joelende
en zingende toeschouwers, rende ik met mijn schaatsen in de handen naar de banken
op het ijs. Er was gelukkig nog plaats. In een roes hoorde ik de dweilorkesten spelen
en de duizenden mensen joelen, maar dit had ik al meer meegemaakt: ik was de routinier,
die zijn derde Elfstedentocht ging rijden!In het helle licht van de bouwlampen, trok
ik met trillende handen mijn schaatsen aan. Links en rechts om me heen zag ik al
schaatsers vertrekken. Gelukkig had ik ze snel onder en vertrok als een haas richting
de Zwette, de pikdonkere nacht in. Door mijn nachtblindheid wist ik, dat ik het moeilijk
zou krijgen. Ik moest goed opletten om niet tegen de walkant aan te rijden, wat mij
in 1985 -
Eindelijk kon ik eens om mij heen kijken en zag ik, wie er bij mij in de groep zaten. Dat waren niet de minsten, dus vroeg ik aan een jonge gast die ik niet kende: “Heb jij enig idee op de hoeveelste plaats we rijden?”.“Dat weet ik niet”, antwoordde hij, “maar ik denk dat wij de derde groep in de wedstrijd zijn!” Derde groep? Het duizelde in mijn hoofd. Dat kon toch helemaal niet, dat een ouwe vent nog op zo’n goeie positie in de wedstrijd zat?Maar ja, de wedstrijd moest nog beginnen. Voor de wind, zonder op kop te komen was een “piece of cake”! Bij Stavoren begonnen we langzaam tegen de wind op te draaien, op weg naar Bolsward. Nu begon het lastig te worden en probeerde ik me zo veel mogelijk in de groep te verschuilen, om zo weinig mogelijk wind te vangen.Maar nu ging het ook mis! Doordat het licht was geworden had men mij herkend en begonnen sommige rijders te roepen: “Zeg, de Roon, zou je ook eens wat kopwerk gaan doen!” Ze hadden gelijk, in mijn goeie jaren had ik echt wel aan de kop gaan sleuren, om de tweede groep in te halen. Maar ja, ik kon niet zo veel meer en aanklampen was de enige manier om te overleven.Ik probeerde het wel een paar keer, maar omdat ik te weinig snelheid had, viel de groep zo stil als een huis! Op weg naar Witmarsum, we hadden meer dan honderd kilometer weg, brak onze groep in tweeën na een tempoversnelling, maar…. mijn rug ook bijna! Wat reden die mannen hard, tegen die noordooster wind op! Af en toe zat ik een beetje dood te gaan, maar lossen was wel het laatste dat in mij opkwam.
Men accepteerde nu dat ik niet op kop kwam, nadat ik een paar keer geroepen had: JULLIE MOESTEN JE SCHAMEN, OM EEN OUWE MAN OP KOP TE LATEN RIJDEN! Maar in mijn vuistje lachte ik me rot, dat die ouwe toch nog steeds zo goed voorin de wedstrijd zat. Bartlehiem kwam in zicht en toeschouwers riepen ons toe, dat onze groep nog maar dertig seconden van de tweede groep vandaan zat.Dit was toch een wonder, dit kon toch niet. Een vent van 56 rijdt mee in de spits van de wedstrijd. Bij Bartlehiem, waar het zwart zag van de mensen, sloegen we links af de Dokkumer Ee op. Ik verschool mij als laatste man, uit de wind rijdend, in onze groep. Mijn lijf gilde het uit, dat het nu wel genoeg geleden had, maar mijn geest was het daar niet mee eens. Wat in ‘85 en ‘86 niet gelukt was, lukte tien jaar na dato wel! Maar mijn rug deed verschrikkelijk pijn en ik zat zwaar tegen de kramp aan. Regelmatig vielen er jonge gasten af door vermoeidheid en valpartijen, want de scheuren waren legio. Maar steeds wist ik de aansluiting met mijn groep weer te maken.In de verte zag ik de watertoren van Dokkum op ons af komen, maar het leken wel elastieken kilometers. Ik gilde naar mensen aan de kant: “Hoeveel voorsprong heeft de kopgroep?”. “Ongeveer drie minuten”, werd terug geroepen… HET KLOPTE, WANT DE ZES MAN STERKE KOPGROEP KWAM ONS TEGEMOET RIJDEN! Zij hadden bij het keerpunt in Dokkum al gestempeld en waren terug op weg naar Bartlehiem. Bij de stempelpost van Dokkum haalde onze groep de tweede groep in en werden wij mooi de tweede groep. Het leek wel een wonder!Op de terugweg naar Bartlehiem hadden we gelukkig de wind in de rug en kon ik af en toe mijn getergde rug eens rechten. Het tempo werd, doordat de groep weer groter was geworden, drastisch opgevoerd, waardoor er ook slachtoffers vielen en de groep weer in tweeën brak. Onbegrijpelijk, maar ik zat aan de goeie kant van de breuk! Op weg naar Oudkerk met 180 kilometer in de benen, waar geen gevoel meer in zat, kwam er een motorrijder van de organisatie naast onze groep rijden met een bord waarop stond dat de kopgroep nog maar één minuut voorsprong had.
DAT KON TOCH NIET WAAR ZIJN! Men begon weer te zeuren dat ik op kop moest komen, omdat het goeie bij de jonge gasten er ook af was en men kansen zag om het gat naar de kopgroep dicht te rijden!
Maar ik kon het echt niet. Ik kon, op karakter, alleen maar aanklampen. We zagen de kopgroep in de verte rijden. Er kwam weer snelheid in onze groep en als aasgieren reden we op de kopgroep toe.HET WONDER GEBEURDE.......Bij het opdraaien van de Bonkevaart sloten wij bij de koplopers aan.Bij het ineen schuiven van de twee groepen, ontstond door de nieuwe situatie verwarring. Iedereen kwam overeind; men keek naar elkaar, de kansen werden getaxeerd, wie waren de sprinters, op wie moest je je koers afstemmen in de eindsprint? Nog twee kilometer naar de finish. Nog twee kilometer naar de glorie en het grote geld! Maar wat deed ik, Rien de Roon, de ouwe man die nooit in de kopgroep had mogen zitten, met al zijn frustraties van ’85 en ‘86?
IK KWAM NIET OVEREIND.Ik bleef diep zitten en schaatste gluiperig langs het riet uit het zicht de Bonkevaart op. Ik sloeg een klein gaatje van dertig meter en keek onder mijn armen door naar achteren, hoe er gereageerd werd. Ik zag de vertwijfeling, niemand durfde het gaatje dicht te rijden en zodoende zijn kansen in de sprint te vergooien. DIT WAS MIJN GROTE KANS!!!Ik gooide mijn rechterarm los, alsof ik een 1500 meter aan het rijden was en perste met mijn laatste krachten er een ongelofelijk tempo uit!Ik hoorde gebrom achter mij. Was dat het geluid van de motorrijder van de organisatie? Ik keek nog een keer achterom, en ja hoor, het gat was geslagen. Met nog 500 meter te rijden, reed ik met een waas voor mijn ogen door een haag van mensen. Het kon toch niet waar zijn dat ik, de ouwe baas, deze Elfstedentocht ging winnen?Als een film zag ik het voor me, terwijl de laatste meters onder mij voorbij gleden.
Ik: Rien de Roon, in het rijtje van elfstedenwinnaars!!!!. Roem en glorie, de hele pers over me heen, tv shows, het grote geld.Met twee armen in de lucht gleed ik over de finish en in een flits zag ik Koningin Beatrix op de finishlijn staan...Afremmend reed ik in een fuik van journalisten en cameramensen. Er werd aan me gerukt en getrokken! Maar ik had maar interesse in één persoon! “MULDER…”, riep ik. Waar is Ron Mulder!!! Want hij moest het nu, als mijn manager, gaan waarmaken……..Badend in het zweet en hondsmoe werd ik wakker. In mijn droom had ik toch nog een Elfstedentocht gewonnen. Alleen heeft de Friese Elfstedenvereniging het begeerde kruisje nooit opgestuurd........