Verhalen:

Uit het boek "Het belang van borstvoeding"

2. De koddebeier

Ik heb tot nu toe ongeveer 250.000 kilometer gefietst. Hierbij zitten training- als de wedstrijdkilometers. Fietsen is fantastisch. Je krijgt bij het fietsen soms de meest briljante ideeën!  Misschien komt het door een betere doorbloeding van de hersenen of doordat je beter ontspant met je kop in de wind.

Er is een verschil tussen fietsen en trainen. Hiermee bedoel ik, dat als ik op een mooie lentedag door de polder fiets en zie dat alles mooi groeit en bloeit en de vogels zingen, dan ben ik aan het fietsen! Als  je met een groepje wielrenners of schaatsenrijders op pad gaat, is er al snel sprake van competitie en zie je niets van de omgeving. Dat is dan ook trainen!

Dinsdagmiddag vertrok om half twee altijd een groepje wielrenners/schaatsenrijders bij de Heinenoordtunnel in de Hoeksewaard voor een rondje over het eiland. Helemaal buitenom ongeveer 85 km, een peulenschilletje voor goed getrainde gasten als wij! Het groepje was een combinatie van echte hardfietsers, ex-beroepsrenners en amateurs, die geen koers hadden op deze dag.

Er werd rustig vertrokken en op de dijk bij Goudswaard begon men door te rijden.

Dat was altijd het geval, want daar stond de wind er altijd schuin op en er paste op die smalle dijk maar zeven man in de waaier. Met een beetje geluk vormde de routiniers een tweede waaier, anders was het doodgaan op het kantje.

Als het aan het eind van de dijk in groepjes gebroken was, riepen sommige “aardige”, gasten die van voren zaten: “PIANO,PIANO!!” wat een sein was, om het wat rustiger aan te doen en de zwakke broeders weer te laten aansluiten in de groep.

We hadden een aardige groep die middag. Het was prachtig weer en er werd tussendoor gezellig wat gekletst. We volgden de route, die we altijd reden tot voorbij Numansdorp richting Strijen.

Rechts van ons lag het pachtersgebied “de Ambachtsheerlijkheid”, wat streng verboden was voor onbevoegden!.

Wat het die middag was weet ik niet, maar we weken van de normale route af omdat mijn zwager Jan Hordijk riep: “Rechts af, de Ambachtsheerlijkheid in!”.

Verwarring alom……

”Jan”, riepen wij “Dat mag niet”, maar hij sloeg al gelijk rechtsaf het pad in op weg naar de openstaande slagboom. Jan was een gelouterde beroepsrenner en niet snel ergens bang voor. In Engeland bij de Milkrace had hij al een keer bijna een derde wereldoorlog veroorzaakt door een Russische wielrenner op zijn gezicht te slaan, omdat die hem tot het uiterste getergd had.

We fietsten met grote twijfels achter Jan aan door de slagboom. In een flits zag ik uit mijn ooghoeken dertig meter verder wat mensen in een tuin aan de thee zitten, waaronder een man in een groen uniform. De man vloog als door de bliksem getroffen uit zijn stoel en schreeuwde ons toe: “Stoppen. Onmiddellijk stoppen!”

Hordijk, die al meer deze illegale route gereden had draaide zich naar de groene man toe en riep: “Even brood naar mijn vader brengen”. En zich tot ons wendend: “Rijen maar jongens, dat roept die vent altijd. Niks van aantrekken!”.

Wij reden lekker door, het zonnetje op de kop in een mooi natuurgebied. Jan was trots op de nieuwe route en riep steeds: “Kijk eens links, hoe mooi het is en kijk nu eens rechts”. Maar ik keek ook eens achterom….

Een grote stofwolk zag ik van achteren op ons afkomen. Het groene mannetje was in zijn auto gesprongen en had de achtervolging op ons ingezet. Het was duidelijk voor ons een verloren zaak, want hij liep hard op ons in. Kort achter onze groep rijdend en luid claxonnerend, probeerde hij naast de groep te komen, wat niet lukte, want wij hielden het breed!

De man was een doorzetter. Hij bleef proberen om met zijn auto tussen ons en de slootkant in te komen. Het lukte niet en het grote pesten was begonnen. Het groene mannetje had zijn raampje naar beneden gedraaid en riep maar steeds: “Stoppen jullie, stoppen jullie!”.  Zijn hoofd werd steeds roder.

Jan had de leiding en voelde zich geroepen om een bemiddelingspoging te ondernemen. Hij pakte de auto vast en terwijl hij zich door de auto mee liet trekken, trachtte hij het inmiddels roodgroene mannetje tot bedaren te brengen.

Sommige dingen, die in het leven gebeuren, zijn niet meer te achterhalen. Heeft het  groene mannetje op die zomermiddag die zo mooi was begonnen, een abrupte stuurbeweging gemaakt of heeft Jan, die altijd als een huis op de fiets zit, een foutje gemaakt?

Er klonk gekraak, er klapte een band, renners probeerde elkaar te ontwijken en Jan lag op de straat, terwijl zijn fiets nog even doorstuiterde. Het was een oneerlijke strijd, een rank racewieltje verliest het altijd, als er een autowiel overheen rijdt.

De auto van de koddebeier was tot staan gekomen, evenals de hevig geschrokken groep. Consternatie allerwegen!

Jan was bezig overeind te krabbelen aan de rechterkant van de weg, terwijl het groene mannetje met een zegevierende grijns links van de weg uit zijn auto stapte.

Daarna gebeurde alles razendsnel. Jan zag dat zijn achterwiel aan puin gereden was en keek naar de triomfantelijke, rode kop van de koddebeier aan de andere kant van de weg.

Zo rood als de kop van het groene mannetje was, zo wit werd Jan zijn gezicht van woede. Hij keek van z’n verwoeste achterwiel naar het hoofd van de koddebeier-met-de-overwinnaarsblik en riep toen de historische woorden: “Vuile koeleeeere vent, dat was een nieuw wiel en ik ga je nou voor je muil slaan…”. Jan rende drie passen naar voren en haalde uit. Het was echt maar één klap, maar hij was kogelhard, want het bloed spoot uit s’mans lip op zijn mooie groene pak.

Dat de man waarschijnlijk niet populair was in de buurt, bleek uit het feit, dat opeens een landarbeider, die aan de andere kant van de sloot stond te schoffelen, Jan aanmoedigde door te roepen: “Sla hem op z’n muil, sla hem op z’n muil…”.

 

Onze groep hervond zichzelf. De ene helft begon de vechtende partijen uit elkaar te halen, terwijl de andere helft probeerde Jan z’n wiel zo goed en zo kwaad als het ging weer zo recht te buigen, dat er weer op thuis te komen was.

Het groene mannetje glipte als een haas zijn auto in, deed de portieren op slot en begon als een gek in een portofoon te praten.  Zijn hoofd was nu toch wel erg rood en leek wat gezwollen!!

De tweede stofwolk kwam eraan. Het bleek een collega van de roodgroene koddebeier. Hij dook gelijk in de auto van zijn licht beschadigde collega en ging in conclaaf.

De nieuwe koddebeier kwam uit de auto en hield zijn beschadigde compagnon heel verstandig uit beeld. Het was een aardige man, vroeg aan ons wat er nu echt gebeurd was en wij verklaarden unaniem, dat het groenrode mannetje ons wilde doodrijden……...

De aardige koddebeier was nog een verstandige man ook en probeerde ons ervan te overtuigen, dat wij helemaal fout zaten.

Verdwijn zo snel mogelijk hier van het terrein, was zijn advies en dat deden wij. We begonnen langzaam op te trekken met de fietsen, maar Jan Hordijk kon het toch niet laten om tegen het half weggedoken en duidelijk aangeslagen roodgroene mannetje te roepen:

“VOOR DEZE KEER ZAL IK ER GEEN WERK VAN MAKEN!!!!”

© Rien de Roon