
"Wim Koopmans: sprint kanon"
"Is dat Willem achter in de werkplaats?", vroeg ik aan Hans Veldhuizen? Ik moest bij R.S.I in de Witte de Withstraat zijn, om daar te proberen wat schaatsschoenen te verkopen. Ik zag het vanuit de verte aan zijn contouren. "Wat is hij aan het doen?" vroeg ik nieuwsgierig.
“Ga maar kijken”, sprak Hans en ik liep op Willem toe die in de werkplaats “iets” aan het doen was. Toen zag ik het. Met het zweet op zijn gele tanige gezicht was hij bezig om een paar skeeler wielen van tachtig mm in een frame, waar maximaal zes en zeventig mm wielen in passen, te persen.
“Willem, dat lukt nooit”, zei ik, terwijl hij de kracht in de bankschroef nog eens opvoerde. Hij kreeg ze er in, maar de wielen zaten stijf tegen de bovenkant van het frame en konden met geen mogelijkheid meer draaien. Tegen beter weten in sprak hij: “Zo nu ga ik ze even los rijden”.
Ik keek hem medelijdend na... Hoe had het toch kunnen gebeuren dat zo’n snelheidskanon op de fiets zo in de goot terecht was gekomen. Ooit was hij Nederlands snelste sprinter op de fiets en nu liep hij in vodden en skeelerde met zijn kromgegroeide lijf door de stad. Geen huis, geen geld, en slapen op een bank op de Maasboulevard. Jarenlang daarvoor sliep hij in een kartonnen doos bij het Dijkzigt ziekenhuis.
Willem kwam onverrichter zake terug in de werkplaats: de wielen zaten nog vast...
Ik keek naar hem. Geel verschoten haar van het altijd buiten zijn. Verrotte tanden
en dat onnatuurlijke gele gezicht, waarin van die mooie lichtblauwe ogen stonden.
Ik dacht aan de trainingstocht die ik met hem maakte lang geleden. Een jonge god
op de racefiets. De ambitie die hij toen had was groot. Nu, een decennium later,
waren Willems hersens verweekt door veelvuldig drugsgebruik. Hoe heeft het zover
kunnen komen? Is het gekomen in de autohandel die hij na zijn sportcarrière is begonnen?
Het is zo makkelijk om alles op de wielersport af te schuiven. Het heeft hem in ieder
geval niet meegezeten. Willem denkt met zijn verweekte hersens nog steeds in snelheid.
Toen ik enkele weken geleden vroeg, terwijl hij op skeelers door de stad strompelde
-
“Hoe hard kan je dan op je skeelers?” was mijn vraag aan hem.
“400 km per uur!”. Hij verblikte niet.
“Maar Willem is dat niet verschrikkelijk hard op die dingen?” Hij keek me minachtend aan. “In Amerika halen ze ruim 500 km en daar moet ik binnenkort een wedstrijd rijden”.
“Dan zal je meer moeten trainen”, sprak ik.
“Doe ik ook..” en hij staarde in de verte.
“Ja, maar hoe doe je dat dan, je kunt hier toch geen 500 per uur rijden?"
"Op de Brienenoordbrug 's nachts kan het wel! Bovenop start ik dan om op snelheid te komen en dan volle bak richting Dordrecht.....”
“Waar doe je dat allemaal voor Willem?” Ik ben ik in Amerika uitgenodigd voor een wedstrijd, ze bieden 30 miljoen dollar startgeld! Hij sprak met steeds meer vuur en zijn mooie blauwe ogen glommen.
“Veel skaters aan het vertrek daar?” vroeg ik.
“Honderd miljoen” sprak hij, “maar dat kan daar want de wegen zijn daar 60 km breed.... Maar”, en hij hief zijn arm bezwerend omhoog, “je moet daar niet van de weg af raken, dan ben je verloren”.
“Hoezo, verloren?” vroeg ik. “Dan kom je in het buitenaardse en kom je echt niet meer terug op deze planeet”.
Ik gaf m’n vroegere trainingsmaat wat geld en wenste hem het beste toe. Ik keek hem na terwijl hij weg strompelde op zijn skeelers. Op weg in zijn beleving van snelheid, geld en roem.
Ik had Willem een tijd niet meer in de stad gezien, terwijl ik toch steeds naar hem uitkeek. Hier en daar informeerde ik naar hem, maar niemand kon uitsluitsel geven of hij nog leefde. Toen op een zondag, ik was met Herbert Dijkstra na het NK wielrennen in de Witte de Withstraat wat wezen eten, zag ik hem weer. Hij zat op een bankje op de Westersingel. Hij zat voor zich uit te staren. Even dacht ik dat hij mij herkende. Ik probeerde nog een gesprek aan te knopen, maar er kwam filosofische wartaal uit! Hij had geen skeelers meer aan. Ik denk dat het in Amerika niets geworden is....